|
|
||||||||||||
|
Foto's |
Grootpoothoenders |
Maleoconferentie |
Maleokabinet |
Reacties |
Het mysterie Bruijn's boshoen |
||||||||
|
|
|
|
|
|
|
U kunt uw reactie sturen naar info@maleo.nl.
![]()
De voorpublicatie gelezen in Archipel en het boek onmiddellijk besteld. Zit het nu met groot genoegen te lezen. Via het boek de website gevonden - ziet er indrukwekkend uit. Het toeval. Ik ben net terug van een lange reis door Indonesië - in het voetspoor van Joseph Conrad en Alfred Wallace. Belandde uiteindelijk op Ternate in het huis waar Wallace zijn brief aan Darwin schreef. Ik heb een paar weken rondgetrokken in Minahasa en Tangkoko - op zoek naar Wallace en het hamerhoen. Het boek is een prachtige aanvulling op het materiaal dat ik verzameld heb over Wallace. Mijn complimenten,
hoogachtend,
G. Jacobs
Marc Argeloo, Ik ben nog niet op vakantie geweest maar heb het boek al uit! En dat wil wat zeggen als je weet dat ik bijv. nog nooit een reisboek/verslag heb weten uit te lezen (ik kom meestal niet verder dan eerste hoofdstuk). Ik was erg geboeid door jouw verhaal, het las weg als een spannend jongensboek (goed geschreven!): ik was steeds benieuwd naar het vervolg, de avonturen van de volgende dag/week/jaar.
A. Kloet
Het duurde even voordat ik het boek uit kon lezen, maar ik heb met plezier en veel herkenning menig uurtje met jou doorgebracht op avontuur in Indonesie. ( ) Ik hoop dat het boek een groot publiek bereikt, de schrijfstijl is humoristisch, spannend, relativerend en soms ontroerend, maar bovenal heel eerlijk en daarom (vind ik) vedient het boek een groot lezerspubliek!
C.A. Bos
Voor Marc Argeloo,
De lange vliegreis doorgebracht in MALEO. Geweldig boek. Bracht me helemaal in de stemming en maakte me nog nieuwsgieriger.
met vriendelijke groet,
J. van den Berg
Ik wil Marc Argeloo bij deze laten weten dat het boek 'Maleo' me enorm heeft geboeid. Ook voor de schrijfstijl een groot compliment : nuchter, maar toch ruimte voor eigen emoties en - onderkoelde - humor. ( ) Mijn complimenten; in meerdere opzichten was het boeiende boek voor mij een 'eye-opener'!
M. Dekker
Beste Marc,
Ik heb het boek uit. (Heb je je tweede boek al af?) Mijn complimenten met dit resultaat! Het zit goed en logisch in elkaar, en nodigt uit tot verder lezen. Ik heb al een exemplaar aan iemand cadeau gegeven.
W. Bergmans
Met zeer veel plezier heb ik het maleoboek van Marc Argeloo gelezen.
E. Bulte
Ik heb ongelofelijk genoten van jouw boek. Een aanrader voor iedereen. Ademloos uitgelezen. Ook een aanrader voor iemand die niets met vogels heeft.
T. Admiraal
Beste Marc,
Met een recensie voor het Belgisch ornithologisch tijdschrift Oriolus voor ogen, lees ik met veel belangstelling uw adembenemend boek. Mag ik één foutje tegen het Frans vermelden? Op pagina 88 las ik "[...] een doorlopend buffet voor vogels, een soort La Grande Boeuf voor spreeuwen." U bedoelde ongetwijfeld 'la grande bouffe', de prachtige film met Philippe Noiret, Marcello Mastroiani, Michel Piccoli en Ugo Tognazzi. Hoewel ik nauwelijks de helft verorberd heb, komt het over als literair werk met wetenschappelijke allures of een wetenschappelijk naslagwerk in een literair kleedje. Mijn voorkeur gaat - beroepshalve - uit naar Franse literatuur, maar uw meesterwerk heeft alle Franse romans even aan de kant geschoven. Proficiat!
W. Belis (België)
Wat heb ik genoten van het boek: heel onderhoudend en spannend.
H. Stasse
Beste Marc,
De combinatie van natuurliefhebber en frequent Indonesiëbezoeker deed mij besluiten het boek bij het Wereld Natuur Fonds te bestellen. Het heeft mij niet teleurgesteld, integendeel ik heb het in vrij korte tijd met veel plezier uitgelezen.
M.C. Blok
Geweldig goed geschreven! Om niet in herhaling te vallen heb ik de overige reacties gelezen. Het is goed om te lezen dat het boek zo op prijs wordt gesteld. Het begint inderdaad allemaal als een spannend jongensboek, waardoor je direct bij het verhaal betrokken wordt. Wat in de reacties naar mijn mening echter ontbreekt is de moraal van het verhaal, die toch duidelijk naar voren komt. De mens is door arrogantie, onachtzaamheid en onwetendheid (pag. 213) bezig het natuurlijke erfgoed de nek om te draaien. Als je met respect voor flora en fauna dit boek leest kun je het in mijn ogen niet alleen maar afdoen met 'leuk of spannend boek'.
met vriendelijke groeten,
P. Smit
Geachte Marc Argeloo,
Hartelijk dank voor de uurtjes leesgenot die ik aan uw boek mocht ontlenen. Door uw aandacht voor detail (ik liep al lezende mee met uw team naar Tambun of de legplaats van Buntalo) kan de lezer zich goed inleven in de omgeving, maar ook in het beschermingswerk.
Vooral de trip naar de binnenlanden van Waigeo vond ik interessant omdat zelfs de autochtonen daar niet eens kwamen. Waar vind je tegenwoordig nog een dergelijk primair bos? Maar niet te veel de aandacht op vestigen. Ik zie al de hongerige blikken van de toeristenindustrie op zoek naar nog niet (door hen) bedorven gebieden. Ik ben het dan ook geheel eens met de reactie van Pieter Smit dat ook de moraal in het verhaal lof verdient.
Ik wens u veel succes, maar ook veel plezier in uw beschermingswerk. Veel mensen zullen u er dankbaar voor zijn.
Met vriendelijke groet,
W. von Scheiblern
Beste Marc,
De gouden kip is een prachtig boek dat ik met plezier gelezen heb. De combinatie tussen Hollandse argeloosheid en Indonesische lichtvoetigheid, de ironie en de steeds intensere betrokkenheid bij het Maleo-project, al het reizen en de bijbehorende ontmoetingen, maken van de lezer als outsider een insider.
met vriendelijke groet,
Henk Strietman
De tocht naar Tambun
door Karin Radstaak"Dit is het avontuur van de maleo - de kip met de gouden eieren - dat begint op zaterdagochtend 12 januari 2002 op het busstation Malalyang van Manado, van waar de bussen richting het zuiden van de stad vertrekken. Er gaat één bus per dag naar Doloduo. En daar gaan wij ook heen. Een grote, oude bus waaraan nog druk wordt gesleuteld als we aankomen. We kopen drie kaartjes voor drie stoelen op een rij. Een stoel voor de tassen. Twee voor ons. Wachten op een bankje tot de bus zal gaan. We zijn het evenement van deze morgen. De gesprekken zijn als alle andere. Altijd. Waar kom je vandaan? Ben je al getrouwd? Heb je al kinderen? Ben je al lang hier? Totdat Freddie naast ons komt zitten. Hij spreekt goed Engels en verhaalt over de crisis. Vraagt ook waar we naar toe gaan. Naar Dumoga Bone &endash; taman nasional &endash; het nationale park. "Aaah", zegt ie, "voor de maleo?" Ja, ook voor de maleo. "Het park gaat kapot", zegt ie, "goldmining. They dig big holes in the forest for the gold." "Ja", zeg ik. "Big holes for small pieces." Hij lacht. En vertelt dat de regering er niets aan doet. Hij wenst ons een goede reis.
Er zit een groot gat in de voorruit van de bus. Andere barsten zijn met tape kunstig geplakt en de teller blijft op nul staan, hoe hard de chauffeur ook rijdt. Rond half drie verlaten we als laatsten de bus op het eindpunt, de driesprong in Doloduo. In de bus hebben we al gevraagd naar Oji die in het park werkt. Zijn naam hebben we van Marc Argeloo, de schrijver van het boek 'Maleo, de kip met de gouden eieren'. Ze weten niet precies wie we bedoelen, houden het vaag en raden ons aan om naar kamp Wallacea in Toraut te gaan. Daar zullen we kunnen slapen.
We stappen achterop twee motortjes, onze grote tassen tussen de benen van de bestuurders. Onderweg stoppen ze bij wat het huis van Oji moet zijn. "Oji is er niet", zegt een jonge vrouw met een baby op haar heup. "Hij is in Tambun." "In gastenverblijf Wallacea is niemand", zegt een andere vrouw. "Maar ik kan mijn broers wel even oproepen, ze werken daar ook." Het gezelschap verdwijnt naar de overburen verderop. We wachten in de voortuin. Het duurt even voor ze terug zijn. Het lijkt op het tweede gezicht toch allemaal wat minder makkelijk. Inmiddels hebben zich in het voortuintje heel wat mensen verzameld. Met ons eenvoudige Indonesisch en drie woorden Engels komen we gezamenlijk tot de conclusie dat het beter is om naar Imandi te gaan. Daar is een losmen (pension) waar we zullen kunnen slapen. In de wijde omtrek is er verder niets.
Als we in Imandi zijn, zijn we ook maar zeven kilometer bij Tambun vandaan waar de legplaats van de maleo's is. Daar zal het makkelijker zijn om Oji te vinden. Terug gaan we weer. Achter op de motortjes. Langs de desa's in de vallei. Met een fikse vaart. Ik zie mijn hoofd bol weerspiegeld in de zwarte glimmende helm van de bestuurder. En kan een schater niet onderdrukken. Hier rijden we! In deze prachtige vallei! Omgeven door bergen, 1000 kleuren groen, een blauwe lucht met grote witte wolken. Het ziet er vredig uit en ik kan me maar moeilijk voorstellen dat daar, achter ons, mensen een uniek natuurgebied afgraven voor schamele klompjes goud. En toch is het zo.
In de losmen krijgen we twee piepkleine, donkere kamertjes zonder ontbijt, maar met gezamenlijke mandi. Voor veel te veel. Maar het kan ons niet schelen. De volgende ochtend staan we om vier uur op. Om half vijf gaan we op pad. Imandi slaapt nog. De buitenlampen van de huisjes langs de weg schijnen ons bij. We lopen. Stil is het niet. Naast de krekels klinkt overal het alles overheersende gerommel van de 'tromols'. Ronddraaiende olievaten, soms tien op een rij, twee rijen naast elkaar op houten dragers, onder een houten of golfplaten afdak, die het in het bos opgegraven puin verwerken. Als het meezit, blijft er een minuscuul klompje goud over. Het geluid van de tromols is overal. Als we het ene fabriekje achter ons hebben gelaten, komt het geluid van de andere tromols, verderop, ons alweer tegemoet. Het zijn er ongelooflijk veel. Als je niet beter weet, lijkt het logisch. Het is het bestaan van vele valleibewoners. Maar het geluid van de tromols vertelt ook een ander verhaal. Het verhaal van het nationaal park dat stukje bij beetje wordt afgebroken. Bossen, waar diepe schachten worden gegraven, bomen verdwijnen en waar dus vaak unieke vogels en andere dieren zullen verdwijnen. Rivieren waarin achteloos vrijkomend kwik wordt weggespoeld. De bevolking van de vallei is laag of niet opgeleid. Zeggen dat dit niet kan, dat het niet mag, helpt niet. Waar moeten ze anders van leven? Natuur lijkt er genoeg. Het besef dat dit stukje van de wereld unieke, nergens anders voorkomende diersoorten herbergt, is er niet. Het is misschien al niet te beseffen dat de wereld groter is dan deze vallei. Of groter dan Sulawesi.
Na een uur wordt het langzaam licht en houden wij onze eerste pauze. We hebben geen idee waar we zijn. Gelukkig is er maar één weg. Verdwalen kunnen we niet. Tussen zes en half zeven beginnen we de enkele voorbijgangers die ons passeren, naar de legplaats te vragen. Verderop, daar is het. Een stuk van de weg af liggen gebouwen die naar ons idee makkelijk kunnen doorgaan voor de agrarische school waar Marc en de Britse onderzoeker Martin Christy over hebben gesproken. Een aanknopingspunt. Nog maar even verder gaan. Om ons heen is alles groen. Rechts beginnen de bergen, links strekt de vallei zich uit. We vragen weer iemand langs de kant van de weg. "Nog een meter of vijfhonderd", zegt ie. Daar kijken we om ons heen. Hier en daar een huisje, een afdakje, een mogelijke schuilhut van waaruit de maleo's worden geobserveerd? We weten het niet. We vragen het nog eens. "Ah, nog een kilometer", zegt de man. We gaan weer verder. Niets wijst op de aanwezigheid van een legplaats, een onderzoeksplek. Totdat we in de bocht van de weg een vervallen houten huisje zien. Met een brommer ernaast. In het veld stijgen de dampen van het natuurlijke warme water dat er stroomt omhoog. Die herkennen we uit het boek van Marc. Het moet hier ergens zijn. We lopen een smal paadje naast het huisje in. Op de gok. Maar er is een splitsing en we weten niet welke kant uit te gaan. We gaan weer terug naar de kant van de weg. We weten het niet meer en troosten ons met mariakaakjes en cha cha's (M&M's).
In de verte het geluid van een motor. Het is een bewaker of een soort politie. We proberen het nog een keer. "We zoeken bapak Suroji &endash; meneer Suroji. Is hij hier?" "Nee, bapak Suroji woont bij de agrarische school, verderop. Ik kan jullie wel even brengen." We stappen achterop en rijden weer een kilometer. Op het terrein van de school staan huisjes. Een van de bewoners brengt ons naar het huisje waar Oji moet wonen. De deur gaat open. Het is niet Oji, maar Kris, die hier samen met Oji 20 dagen per maand woont, de 20 dagen dat ze elke morgen en middag de legplaats observeren. "Oji is er niet, die is op de legplaats, maar ik kan jullie wel even brengen. Kunnen jullie nog een kilometer lopen?" Ach ja, dat gaat nog wel.
Onze vermoedens waren juist. We lopen terug naar de vervallen hut in de bocht van de weg, slaan het smalle paadje er naast in en bij de splitsing gaan we rechtsaf. De rand van het bos in. Over een smalle plank steken we stromend warm water over. Je voelt de warmte langs je huid glijden. Even verder staat een houten toren. Door het gat in het vloertje klautert een man naar beneden. Oji! We vertellen wie we zijn, waar we vandaan komen en wat we komen doen. "We hebben de verhalen van Marc gehoord." "Zijn jullie vogelkijkers of komen jullie alleen voor de maleo?" "Eh, nou, eh, van vogels weten we eigenlijk niet zo veel", geven we toe. "En van de maleo weten we eigenlijk ook nog maar heel kort, maar de verhalen over deze vogels interesseren ons mateloos."
Het is inmiddels acht uur en er is die ochtend maar één maleo geweest. Oji verwacht niet dat er nog veel zal gebeuren. Terwijl Kris ondertussen boven zit en uitkijkt, neemt Oji ons mee voor een wandeling over het terrein. Op een gebied van ongeveer vier hectaren bevinden zich her en der grote kuilen. De maleo leeft in het bos, op de grond en in de bomen, voedt zich met fruit en slakken en ander materiaal en komt 's ochtends vroeg of in de namiddag naar deze plek om eieren te leggen. Het is geen hele grote vogel, maar hij (of zij dus eigenlijk) is in staat grote kuilen te graven. In die kuilen begraaft ze haar ei. Een ei dat zeker vier keer zo groot is als een gewoon kippe-ei. 'Burun kecil, telor besar' zeggen ze hier. 'Kleine vogel, grote eieren'.
De eieren zijn geliefd voedsel en spelen in legenden een grote rol. Het massale rapen van de eieren, samen met de vernietiging van zijn natuurlijk leefgebied zorgt er, kort gezegd, voor dat dit unieke dier op het punt van uitsterven staat.
Martin vertelde me in Manado dat er nu al veel minder maleo's zijn dan toen Marc hier was. De maleo maakt deel uit van de familie van grootpoothoenders, een vogelfamilie die alleen in Indonesië, Papua Nieuw Guinea, Australië en Oceanië voorkomt. Ze broeden hun eieren niet uit, maar begraven ze onder de grond waar natuurlijke warmte (vaak vulkanische gebieden) ervoor zorgt dat de jonge maleo's na ongeveer 65 dagen uitkomen. Lang is gedacht dat de maleo's daarmee een evolutionaire schakel vormen met de reptielen die zich op een zelfde manier voortplanten, maar dat is niet waar. Het is waarschijnlijk een duizenden jaren geleden bij toeval onstane manier om jongen uit te laten komen. Desalniettemin een slim beestje dus.
Oji gaat op z'n knieen bij een kuil zitten waar hij een ei weet en graaft het voorzichtig op om ons te laten zien hoe groot het is. "Aiai", zeggen wij. "En dit is nog niet eens zo'n hele grote", zegt Oji. Behoedzaam begraaft hij het ei weer. Even verderop passeren we de 'bassins'. Twee grote betonnen constructies met gaas en dikke hangsloten. Hier worden de meeste eieren door de onderzoekers herbegraven om te voorkomen dat ze worden geraapt. Het zou toch leuk zijn als er net eentje uitkwam, denk ik als we naar de grond in de kooien turen. We lopen verder. Soms door dijbeenhoog gras, soms gebukt onder laaghangende takken door. Voor wie Amelisweerd is gewend, is dit al een hele belevenis. Er is geen maleo meer te bekennen. We gaan terug naar de toren en spreken af de volgende ochtend weer te komen. Om zes uur. Terug aan de kant van de weg houden we een ojek (motor) aan, het lokale transportmiddel bij uitstek. Tjada springt achterop, ik rij met Oji mee. Terug in ons pension spreken we met een andere ojekrijder af dat hij ons de volgende ochtend zal brengen en halen.
Onze ojek staat de volgende ochtend al om tien voor zes op de stoep. We gaan met z'n tweeën achterop en rijden richting Tambun. De bestuurder is een held. Met twee grote witte vrouwen op z'n ojek. De mensen op de markt komen niet meer bij. Bij het huisje in de bocht van de weg stappen we af en spreken af dat hij ons om negen uur weer komt halen. Wij vinden nu zelf onze weg naar de toren waar Oji en Kris al weer een tijdje zitten. Een kwartier geleden hebben ze nog zes maleo's gezien, nu is het weer rustig. En misschien zijn we zelfs al weer te laat. Oji biedt aan om weer voorzichtig een stukje met ons rond te lopen. Als we de kooien met de eieren naderen, maakt ie een sprongetje. "Oh, you're so lucky", roept hij opgewonden. "There is maleo-baby." In de kooi fladdert een kleine maleo zenuwachtig rond. Oji slaat zich voor zijn hoofd. Nu is-ie z'n opschrijfboekje, schuifmaat en weegschaaltje vergeten. Hij gaat gauw terug en wij zitten gehurkt voor de kooi. Een baby-maleo. Zelf uit z'n ei gekropen en onder de grond vandaan gekomen. Oji komt terug, vangt de kleine maleo en begint te meten. Kopje, vleugel, pootje, snaveltje. Alles wordt nauwkeurig genoteerd. De maleo kan gaan. Oji vraagt of wij hem willen vrijlaten. Tjada gunt mij de eer. Oji geeft me de vogel in handen. Pootjes tussen twee vingers van de ene hand, de andere hand om de vleugeltjes. "Niet gooien zoals bij de duiven", lacht hij. "Gewoon je handen openvouwen". Ik doe mijn handen open en de maleo vliegt weg. Richting het bos. Deze vogel kan alles zelf. Heeft geen moeder nodig, hoeft niet te worden gevoerd, hoeft niet te leren vliegen. Wat zitten de dingen toch ingenieus in elkaar. Wat ik voel, moet een soort Lenie 't Hart-erlebnis zijn. Dat deze maleo nu kan wegvliegen, is te danken aan mensen die tegen de klippen op proberen een dier voor uitsterven te behoeden. Die uren naar bomen en vogels turen en in de gaten houden wat er gebeurt. Die met weinig geld proberen te redden wat er te redden valt. Oji schudt zijn hoofd als we over het goud praten. "Als hier echt veel goud zou zitten, was iedereen al rijk geweest en hoefden ze niet verder te graven. We hebben hier grote problemen". De tien of elf dagen per maand dat Oji en de andere parkmedewerkers er niet zijn om de eieren te verplaatsen, worden ze gewoon geraapt. Hij kijkt somber, maar tegelijkertijd zijn we alle drie opgetogen over de kleine maleo. We wandelen verder en zien toch nog drie volwassen maleo's waarvan er een wordt opgeschrikt door twee honden. Ook een probleem. Hekken zetten helpt niet, die worden gewoon kapot gemaakt. Tegen half negen lopen we terug naar de hut aan de weg en al snel horen we onze ojek weer aankomen. We nemen afscheid van Oji. We betalen hem voor z'n gastvrijheid, zijn hulp en zijn rondleidingen. Hopelijk is het genoeg, misschien is het veel te veel, maar onze dankbaarheid is groot. We zullen de groeten doen aan Marc."
Met dank aan Marc Argeloo voor z'n tips, aanwijzingen en routebeschrijvingen
Foto's Grootpoothoenders Maleoconferentie Maleokabinet Reacties Het
mysterie Bruijn's boshoen
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()